02/07/12

Klimaatcrisis: Technologietransfer is een noodzaak

Intellectuele eigendom: een tool voor geïndustrialiseerde landen om hun dominantie t.a.v. ontwikkelingslanden te versterken

Tijdens de klimaatonderhandelingen hadden de geïndustrialiseerde landen geen aandacht voor een technologietransfer naar ontwikkelingslanden, hoewel ze dat 20 jaar geleden wel beloofd hadden. Deze transfer is nodig om ontwikkelingslanden toe te laten zich duurzaam verder te ontwikkelen. Het lijkt wel alsof het overwicht van geïndustrialiseerde landen en de financiële belangen van patenthouders primeren op klimaat en menselijk welzijn.
 

De klimaattijdbom: ontwikkelingslanden gedwongen om zich duurzaam te ontwikkelen

Het smelten van de ijskap, stijging van het zeeniveau, droogtes en overstromingen, verdwijning van bepaalde soorten,… Je kan niet naast de gevolgen van de klimaatsverandering kijken. Veel critici zijn ontevreden met het gebrek aan concrete resultaten na de klimaattop Rio +20 (20-22 juni).

De geïndustrialiseerde landen (de Verenigde Staten op kop) wijzen met de vinger naar ontwikkelingslanden, meer bepaald de BASICs (Brazilië, Zuid-Afrika, India en China). De BASICs vormen een bedreiging voor het klimaat. De geïndustrialiseerde landen voeren aan dat de BASICs veel CO2 uitstoten en dat ze hun verantwoordelijkheid moeten opnemen. Als we wereldwijde uitstootcijfers bekijken, staat China op de eerste plaats, met ongeveer 24.01 % van de globale CO2-uitstoot. India staat op de vierde plaats. Maar deze cijfers verbergen een andere realiteit. De hoge uitstootcijfers van China en India zijn te verklaren door hun grote bevolking. Als we naar CO2-uitstoot per inwoner kijken, staan de BASICs ver achter. China staat op de 61e plaats, India op de 121e en Brazilië op de 106e. Qatar staat op de 1e plaats, Luxemburg op de 5e en de VS op de 9e. Hou ook rekening met fenomeen “CO2-vlucht”: veel Amerikaanse en Europese consumptiegoederen worden in China gemaakt. Het aandeel van ontwikkelingslanden in de opwarming van de aarde is niet te vergelijken met dat van de geïndustrialiseerde landen.

Tijdens de klimaatonderhandelingen spreekt men overigens altijd van een gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid. Dit concept luidt: “Alle landen zijn verantwoordelijk, maar vooral de geïndustrialiseerde landen. Hun consumptie- en productiemodellen zijn niet duurzaam en ze hebben meer middelen ter beschikking.” Het concept wordt gebruikt door de Verenigde Naties. België accepteerde het in Rio 1992.

Ontwikkelingslanden zullen de eerste slachtoffers zijn van de klimaatsverandering, maar in tegenstelling tot de ontwikkelde landen hebben ze weinig middelen om zich te beschermen. Het is daarom niet verwonderlijk dat ontwikkelingslanden een actieve rol spelen bij de vermindering van de CO2-uitstoot. Enkele BASICs geven het goede voorbeeld. In 2009 in Kopenhagen beloofde Jacob Zuma, president van Zuid-Afrika, om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, op basis van een groeiscenario van 34 % in 2020 en 42 % in 2025. China engageert zich eveneens om de CO2-uitstoot te verminderen. Bovendien heeft China tussen 2006 en 2010 de uitstoot van broeikasgassen al gereduceerd met 1,5 miljard ton! China heeft bovendien industriële projecten met een laag energierendement stopgezet, waaronder metaalverwerkende fabrieken, cementfabrieken en mijnbouwinstallaties.

De technologietransfer, een oplossing voor duurzame ontwikkeling

Eén van de manieren waarmee geïdustrialiseerde landen ontwikkelingslanden kunnen helpen in de strijd tegen de klimaatsverandering is een technologietransfer richting Zuiden. Dat betekent export van materiaal (zonnepanelen, windmolens, waterkrachtinstallaties, enz.), maar ook van know-how en intellectuele eigendom. Daardoor hoeven ontwikkelingslanden niet meer dezelfde beginnersfouten te maken als de geïndustrialiseerde landen. Een waterkrachtcentrale op de rivier Nvagak in Oeganda laat toe om de uitstoot van broeikasgassen  met 36 000 ton per jaar te verminderen. In Cuba heeft de regering zonnepanelen laten installeren in afgelegen gebieden. In het kaderverdrag van de Verenigde Naties, goedgekeurd op de klimaattop in Rio in 1992, beloofden de geïndustrialiseerde landen om hun technologie uit te voeren naar ontwikkelingslanden. Toch werd deze transfer niet gerealiseerd op de manier die ontwikkelingslanden verwachtten. China vraagt al jaren om een internationaal mechanisme voor technologietransfers, zonder resultaat.

Intellectueel eigendomsrecht: een middel om de technologietransfer af te remmen

Tijdens de recente klimaattop Rio +20 hebben Europa, de VS en Japan zich verzet tegen een internationaal mechanisme voor technologietransfers voorgesteld door China. De Europese Unie en de Verenigde Staten probeerden zelfs het woord “technologietransfer” uit de definitieve tekst te schrappen. Toch is het duidelijk dat zo’n transfer de duurzame ontwikkeling in het Zuiden ten goede komt. 

Waarom die tegenstand? Regeringen in het Noorden zien zo’n transfer als een mogelijke bedreiging voor hun economisch en technologisch overwicht. Door het delen van know-how stimuleren ze de ontwikkeling in het Zuiden, waardoor het Zuiden minder afhankelijk wordt.

Eén van de voornaamste tools om deze transfer te verhinderen is het intellectueel eigendomsrecht (Intellectual Property, IP). Het IP bevat onder andere gepatenteerde uitvindingen, merken, industriële tekeningen en modellen en beschermde geografische aanduiding (label dat gegeven wordt aan producten met een specifieke geografische herkomst, met speciale eigenschappen of reputatie die streekgebonden is). Het IP is financieel interessant voor hun eigenaars, want het houdt een exploitatieverbod van patenten door derden in. Een ontwikkelingsland dat een bepaald medicijn wil gebruiken moet daarvoor een aanzienlijke som neertellen. In 2005 waren 36,7 % van alle patenten met betrekking tot hernieuwbare energie in handen van de Europese Unie, 20,2% in handen van de Verenigde Staten en 19,8 % in handen van Japan. China had maar 2,9 % van alle patenten en Korea 2,3 % (OCDE 2008). Deze discrepantie is flagrant. Heel wat gepatenteerde technologieën blijven ontoegankelijk voor ontwikkelingslanden omdat ze te duur zijn. Daarom ijveren ontwikkelingslanden voor uitzonderingen in het intellectueel eigendomsrecht. In contradictie met 20 jaar oude beloftes, wilden de Verenigde Staten tijdens de Rio+20 top alle referenties naar het IP in de definitieve verklaring schrappen. Veel federaties van multinationals oefenden overigens druk uit op “hun” regering om geen concessies te maken op vlak van intellectuele eigendom. Vertegenwoordigers van oliegigant Shell waren bijzonder actief. De president van Friends of the Earth merkt op: “het is niet acceptabel dat bedrijven als Shell, verantwoordelijk voor grootschalige vervuiling en schending van de mensenrechten, iets te zeggen heeft in het proces van duurzame ontwikkeling. Vervuilende bedrijven zouden niet mogen meehelpen met het opstellen van wetten, ze moeten wetten juist respecteren.”

Het lijkt alsof de dominantie van de geïndustrialiseerde landen, net als de financiële belangen van de patenthouders, primeren op klimaat en menselijk welzijn. In plaats van de vinger te wijzen naar de ontwikkelingslanden of de BASICs, kunnen ze zich beter aan hun eigen engagement van 20 jaar geleden houden.  

 

7650 keer gelezen